Het is budgettair noodzakelijk belastingen te heffen die toelaten de uitgaven van gemeenten in het algemeen te financieren, en aldus de continuïteit van de werking van de stadsdiensten en de dienstverlening – ook op lange termijn – te kunnen handhaven. Belastingen vormen immers een belangrijke bron van inkomsten voor gemeenten, waardoor deze één van de pijlers vormen van de gemeentelijke autonomie.
Gezien de budgetnoodwendigheden en de financiële toestand van de stad Genk, is het voor welomschreven administratieve prestaties die de basisdienstverlening van de stad overstijgen, gerechtvaardigd om een vergoeding in de vorm van een belasting te vragen van de persoon voor wie de administratieve prestaties, op verzoek of ambtshalve, worden geleverd.
Bij het opleggen van een administratieve geldboete voor een overtreding zoals voorzien in artikel 3, 3° van de Wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties (‘GAS 4’), of voor een beperkte snelheidsovertreding zoals voorzien in artikel 29quater van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer (‘GAS 5’) (hierna ‘GAS-boete’ genoemd), dient stad Genk diverse administratieve prestaties te leveren (i.e. administratieve handelingen, zoals de opmaak en afgifte van een administratief stuk, administratieve dienstverlening, opzoekingen, verificaties, verwerkingen, opvolging van inning, enz.).
Deze administratieve prestaties brengen werkingskosten mee voor de stad, waaronder personeels- en softwarekosten. Gelet op het feit dat het billijk is om personen aan wie een GAS-boete in het kader van verkeersveiligheid wordt opgelegd, te responsabiliseren voor de kosten van deze administratieve prestaties die anders door de gehele gemeenschap van de stad Genk dienen gedragen te worden, is het aangewezen om de overtreders, voor de aanslagjaren 2026-2031, aan een belasting te onderwerpen, om deze kosten (gedeeltelijk) te recupereren. Aldus wordt uitdrukkelijk gesteld dat de belasting géén bijkomende sanctie t.a.v. de overtreders betreft, maar het louter verantwoordelijk stellen van de overtreders voor de opgelopen werkingskosten van de stad, onder de noemer ‘administratieve toeslag’.
In die zin zal de kennisgeving van het bedrag van de GAS-boete ook de kennisgeving van de contantbelasting inhouden, en zal, hoewel het tarief van de belasting op de betalingsuitnodiging opgeteld wordt bij het bedrag van de GAS-boete, uitdrukkelijk vermeld worden dat het om een GAS-boete én een belasting op administratieve prestaties (‘administratieve toeslag’) gaat. Ook de wijze van bezwaar tegen de belastingcomponent zal duidelijk vermeld worden op de betalingsuitnodiging.
De aldus geheven belasting is vergelijkbaar met de administratieve toeslag zoals bepaald in artikel 65, §1, tweede lid van de Wet betreffende de politie over het wegverkeer, die in 2025 € 10,42 bedraagt. In voorliggend belastingreglement wordt dat bedrag als basisbedrag gehanteerd. Dit basisbedrag wordt, overeenkomstig datzelfde artikel van de Wet betreffende de politie over het wegverkeer, jaarlijks op 1 januari aangepast aan de evolutie van het prijspeil via een indexering aan de hand van de index van de consumptieprijzen, waarbij het geïndexeerde tarief wordt afgerond op twee cijfers na de komma. De consumptieprijsindex van november 2024 wordt daarbij als basis gehanteerd (eerste indexering op 1 januari 2026). De door de overtreder verrichte betalingen zullen eerst op de administratieve toeslag toegerekend worden, vervolgens op de GAS-boete.
Het belastingreglement op administratieve prestaties in het kader van GAS-boetes voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 treedt in werking op 1 januari 2026.
De gemeenteraard stelt het belastingreglement op administratieve prestaties in het kader van GAS-boetes voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 vast.